Spelletjes die werden gespeeld in Sas

"Stêke."

Met uit aarde gebakken knikkers 'eentjes' wordt dit spel gespeeld. Een speler die de gok wilt wagen zijn voorraad te verhogen gaat op de grond zitten met de benen wijduit om de wegspringende knikkers bijeen te houden. Een variërend aantal wordt licht de grond ingedrukt om goed te kunnen blijven liggen. Naarmate het aantal ingezette eenheden wordt de afstand groter. Diegenen welke zeker van zichzelf zijn proberen met hun voorraad de 'gezette' knikkers van hun plaats te 'stekken' en bij succes mag de 'stekker' de ingezette knikkers behouden tezamen met de knikker waarmee men geworpen heeft. Vanwege de kwaliteit van de 'eentjes' werden die wel eens kapot gegooid met alle narigheden vandien.

"Tikje mee de pêrde."

Vroeger werd er geklost, het tegenwoordige punniken. Men ging er prat op uit veel verschillende restjes wol een zo lang mogelijk koord te maken. Dit koord werd ook gebruikt om 'tikje mee de pêrde' te spelen, maar ook touw werd gebruikt. Nu een kleine uitleg. Er was een paard , een menner en een leidraad waarmee het paard werd omgord. Er waren verschillende koppels maar één moest er op een honk blijven staan om de anderen de gelegenheid te geven zich uit de voeten te maken. De bedoeling was nu dat de menner die op het honk had gestaan tezamen met het paard een achtervolging ging inzetten en probeerden een andere menner aan te tikken die op zijn beurt weer een ander aan moest tikken. Er werd getracht geheimhouding te bewaren wie het achtervolgende koppel was om het aantrekkelijk te maken. Wel was er tevoren bepaald tot hoever men mocht lopen. Het spel duurde tot men het beu was.

 "Oepullu."

Bij Bram wier gekeke of jun oud fietswiel mee zonder speke kon krijge. Je matriaole atjal bijje tis te zege: un stokje ofun endje rond ijzer. " Wa moejèn ventje " vroeg Bram en na daje ut gevraogd at kwam tie mee zo'n wiel af. Dierekt de straot op en maor laweit maoke meeta ting over de kallesije. Soms wierter un wetstrijt houwe wie datartst kon. Tende asum kwam ju trug op de plek waor ju was vertrokke. Dur waore ook jongus die adde un schôanen oepel, een van rond ijzer. Older vaoder werkte op tstijselkot. Da moesje doen mee un stukje ijzer waor un speesjaal aokje nanzat. Soms kwamtienoepel wel is terecht waor tie nie moest zijn en tan maoktejewel da ju weg kwam.

"Kiejéjabal."

Kiejejabal, kiejejabal, wie heeft de bal. Die mooie bal van goud ........ en verder??? Een meisje of een jongen stond voor een groepje medespelers die op een rij stonden. Dat meisje of die jongen stond met de rug naar de overigen en gooide een bal, zonder te zien waar hij terecht kwam, over haar/zijn schouders. De kinderen stonden dan dicht tegen elkaar met de armen op de rug waarvan één met de bal in z'n of haar handen. Dan riepen ze in koor "Kiejéjabal". De eenling keerde zich om en moest raden wie de bal in de handen had. Had zij/hij het juist mocht zij/hij nog een keer, zoniet moest diegene die de bal in de handen had het spel verder spelen. Waarschijnlijk is de kreet Kiejéjabal afkomstig uit het Frans "Qui aie la balle".  

"Bêletjetrêke."

Deze vorm van amusement was voor de lijdende partij beslist geen lolletje. Het werd toch nogal veel gedaan. Zo konden kinderen, niet de braafste, soms een hele morgen door Sas 'kattekwaad' uit halen. Ook gebeurde het wel dat andere kinderen vertelden aan diegene die kwam opendoen wie het geweest was. Dit verraad brak dan enige dagen later wel op, thuis.    

"Alle veugels vliege."

Op de rand van de stoep stond een aantal kinderen en midden op de straat, wat toen nog kon, stond een kind. Die moest de kinderen zien te misleiden. Dat ging als volgt: Het kind dat midden in de straat stond riep "Alle veugels vliege", waarop de andere kinderen een vliegende beweging met de armen moesten maken. Ook werden voorwerpen genoemd die niet kunnen vliegen en zij die dan met hun armen een vliegende beweging maakten waren 'af en moesten wachten tot het spel klaar was.